Het zuidereiland met Flying Kiwi Experience

Heenreis

Seoul

Auckland

Rotorua

Wellington

Hutt Valley

Laatste dagen

Terugreis

 
   

Om half tien 's morgens begint het te regen. Dit betekent dat de trackers sneeuw hebben. De stemming is bedrukt. Als ik naar buiten kom vraagt John of ik wil helpen de keuken van de trailer schoon te maken. Ik kan geen nee zeggen. Zwijgend maak ik de plastic kratten met voorraad schoon. Ik probeer wat orde aan te brengen: kruiden in het krat waar Spices op staat, muesli in het krat met opschrift Breakfast. Later komt Bob mij helpen. Als we klaar zijn eten we rijst met witte bonen, warm gemaakt in de magnetron. Ondanks de regen besluiten Bob en ik naar het Wildlife Center een stukje verderop te lopen. Ze hebben daar de zeldzame Takahe. Ook zien we de Pukeho. Allebei zijn dit loopvogels, met prachtige blauwe kleuren. De Takahe blijkt de achterste teen van zijn poot als een duim te gebruiken. We lopen nog wat verder, keren om en lopen door naar het dorp. Het blijft regen, ik sop in de schoenen van Allen. Hij heeft mijn schoenen aangetrokken voor de track, en dus heb ik zijn schoenen. Nadat we wat rondgeslenterd hebben in winkeltjes lopen we terug naar de camping. Bob vraagt mij of er iets is tussen Anika en Mikel. Ik heb niets opgemerkt, behalve dat de relatie tussen Mikel en Stephanie uit ijs bestaat. Inmiddels stortregent het. Mijn voorstel om pizza te laten komen wordt met algemene stemmen aangenomen. De film Shakespeare in Love heb ik al gezien, ik ga naar de televisie-kamer. Als iedereen daar weg gaat zet ik het straalkacheltje voor mij neer, ga languit op de bank liggen en kijk naar een film die ik ook al eens gezien heb. Midden in de nacht loop ik terug naar de cabin. Het onweert flink. Een donderslag blijft zeker tien minuten hoorbaar. Iedereen slaapt, dit keer snurkt Paula. [^]

We pakken snel in en vertrekken. Doreen is ontzettend bezorgd. In de afgelopen nacht is het noodweer geweest en contact met de lopers is niet mogelijk. We besluiten om niet te gaan fietsen en rijden flink door naar Queenstown. De wandelaars worden daar om 13.00 uur verwacht. Ze hebben gegarandeerd behoefte aan een warme douche en droge kleren. Ik sta de meeste tijd weer voor in de bus en geniet van het uitzicht. Aangekomen nemen we voor iedereen een cabin. We horen dat de trackers pas de bus van 14.00 uur hebben en dus niet voor 16.00 uur terug zijn. Ik vraag John een fiets voor mij te pakken en rij de helling af naar het dorp. Dit is puur toerisme! Ik rijd wat rond en maak een afspraak met de fysiotherapie om naar mijn knie te laten kijken. Vanaf de kade zwaai ik de Earnslaw uit, een oude stoomboot die tochtjes over het meer maakt. Als ik terugkom op de camping zijn de lopers net gearriveerd. Ik wijs de weg naar de cabins en ga ze aankondigen. Iedereen is vol van verhalen. Hoe hoog de sneeuw lag, hoe nat ze geworden zijn, hoe koud het geweest is, hoeveel zorgen ze zich gemaakt hebben om Debby en Rodney. Als ik later de verhalen rustiger verteld hoor, begrijp ik dat Debby onderkoeld is geweest. Dankzij Rodney is ze door blijven lopen. Iedereen is vreselijk trots dat ze deze tocht hebben volbracht. Om zes uur ga ik naar de fysiotherapeut, Pip. Ik blijk een irritatie van de aanhechting van mijn hamstrings te hebben. Waarschijnlijk veroorzaakt door een vergroeiinkje aan mijn knieschijf. En die is gekomen door mijn val van de scooter, in Kreta, zoveel jaar geleden. Pip taped mijn knie in, doet meer pijn. Ze probeert een andere manier van tapen, dat helpt wel. Het voelt wat strak, maar steunt goed. Met een knie in de tape en een voorraad pleisters ga ik naar het Thaise restaurant waar we zullen eten. Dit is de laatste avond voor de groep, een groot aantal blijft in Queenstown. Na afloop ga ik met Allen op zoek naar een lekker dessert. We delen een "chocolate mudcake" en praten over ons bestaan en het maken van keuzes. Als we terug in de cabin komen liggen Doreen, Debby en Rodney al te slapen. Niemand snurkt, totdat Allen in slaap valt. [^]

Ontbijt verloopt chaotisch. De yoghurt is op. Ik ga op de fiets naar de diary. Als ik terug kom is de muesli, die ik al klaargezet had, verdwenen. Is het laatste restje van de lekkere muesli geweest. Ik word flink boos en loop een tijdje te foeteren. Mijn was doen, wat opruimen, met Allen zitten praten in het zonnetje voor de cabin. Te laat fiets ik naar Arrowtown, een gouddelversplaatsje 20 km verderop. Ik heb geen tijd om rond te lopen, fiets langs een andere weg terug. Daar zie ik Walnut Cottage. Een romantisch huisje met een prachtige tuin. Ze hebben afternoon tea. Ik besluit mezelf te trakteren en bestel thee met zoete scones. Na lang wachten in de schaduw krijg ik een prachtig zilveren theepot op het tafeltje, met mooi porcelein servies. De scones zijn warm en worden geserveerd op een hoge schaal met een oost-indische kers als decoratie. Dit doet me denken aan die keer in Schotland, waar Henk en ik in de tuin van een kasteel ooit afternoon tea dronken, ook zo prachtig verzorgd en in zo'n mooie omgeving. Wat ontzettend jammer dat ik zo'n haast heb. De bus vertrekt om 3 uur en ik moet nog zeker 18 km fietsen. Veel te snel sla ik alles naar binnen. Als ik wil afrekenen staat de eigenares lang met een andere vrouw te praten. Haast - haast - haast. Ik breek in in het gesprek, reken af en race weg op mijn fiets. Precies om 3 uur ben ik terug op de camping. Iedereen is al bezig afscheid te nemen. Ik krijg het telefoonnummer van Doreen. Ze heeft van Debby gehoord dat ik nog maar kort geleden weduwe ben geworden, vind me erg flink. Als ik een slaapplaats nodig heb kan ik bij haar terecht, biedt ze aan. De bus vertrekt, nagezwaaid door de achterblijvers. Iedereen is voorzien van een lijst met emailadressen. Heeft Allen voor gezorgd. Kevin is nieuw, hij gaat ook een bus rijden, maakt de tocht mee om de route te leren kennen. En derde Mark (GB) en Dorothe (Peru) zijn erbij gekomen.

In Wanaka halen we Bob op. Het meer is prachtig, en veel minder toeristisch. We rijden weer verder. Als John gebeld wordt blijkt dat Stephanie in Wanaka is achtergelaten. Niemand heeft dat gemerkt. Mikel zit als een ijspegel voor zich uit te kijken, verroerd geen spier. John stopt langs de weg. Hij geeft de fietsen en wat instructies. We moeten naar het volgende kamp fietsen, een bushcamp. Let op een metalen schuur langs de weg, daar is de afslag, een onverharde weg. De naam van het camp is Lake Havea. Als we bij het uitzichtspunt zijn is het nog 20 km. De vraag of er een kaart is wordt door Anika niet beantwoord. Ik vertrek als laatste, op een te grote fiets. Na enige tijd haal ik Kevin in. Bij het uitzichtspunt onthou ik de tijd. Nog een uur fietsen, dan moet ik er zijn. Na 20 minuten kom ik langs een metalen schuur aan een onverharde weg. Kidds Bush heet het kamp 6 km verderop ligt. Naam klopt niet, afstand klopt niet, schuur en weg kloppen wel. Ik besluit door te fietsen. De zon komt lager, een gemene wind blaast door de engte tussen twee heuvelruggen, The Neck. Het meer aan de andere kant is onrustig. Ik stop om te eten. Kevin haalt mij in. Hij vraagt zich af of we niet toch bij Kidds Bush moeten zijn. Ik vertel hem mijn redenering. Hij ziet mijn logica en we fietsen samen verder, ik voorop. Dit is niet meer leuk. Na een half uur is er niets veranderd. Het is eenzaam en koud en winderig. De eerste auto die ik zie ga ik stoppen. Die komt vijf minuten later. Ze hebben geen borden gezien van een camping. Ook de volgende auto weet het niet. De chauffeur van de derde auto biedt aan om met een van ons een stukje die kant op te rijden, hij heeft iets gezien. Kevin gaat mee, ik blijf bij de fietsen. Als ze terug komen is de zon inmiddels onder. Niks gezien. We vragen de man of hij ons naar Kidds Bush wil rijden. Dat wil hij. We verstoppen de fietsen langs de kant van de weg. Om ze weer terug te kunnen vinden wordt de kilometerstand genoteerd. Het kamp is precies 15 kilometer terug rijden! We bedanken de man hartelijk, hij wil niet blijven eten. Na 10 minuten komt hij terug, ik heb mijn fles met een restje Powerade in zijn auto laten liggen. John geeft hem een blikje bier mee. In de vuurplaats maak ik samen met derde Mark een vuur. John speelt zachtjes op zijn gitaar en zingt. Als iedereen naar bed is blijf ik nog zitten. Een prachtig meer, schitterende sterren, warm vuur, alleen. Om 2 uur ga ik toch maar mijn tentje in. [^]

Kevin heeft al vroeg de fietsen opgehaald. De bus vertrekt om half negen voor de volgende etappe, naar de westkust. In Makara gaan de meesten met de jetboot mee. Ik blijf binnen zitten, de Southerly waait weer. Bob en ik proberen een houten puzzel op te lossen. Gefrustreerd geven we het na zo'n uur op. Met de bus rijden we naar de top van de Haastpas. Dan met de fiets naar beneden zoefen en door naar de picnicplaats (16 km). Daar zijn volop zandvliegen. Toch maar insmeren met Off!! Na de lunch besluit ik de rest naar de camping ook te fietsen, volgens John 50 km (blijkt 64 km te zijn). Halverwege begint de regen weer. Mijn knie is op een andere plaats pijn gaan doen. Ik trek de tape eraf, besluit door de pijn heen te gaan. Als ik stop om een foto te maken haalt Jan mij in. We gaan samen verder. In Haast drinken we thee en kopen wat te eten. Van daaruit is het nog 16 km had John gezegd. In een flink tempo fietsen we door. Dat is de enige manier om warm te blijven. Als we op de camping aankomen is de regen gestopt. De grond is kletsnat, zompig. Met moeite vind ik een droog plekje voor mijn tent. Later op de avond blijkt de melk op. John koppelt de trailer af. Met de bus rijden we naar een diary. Die is gesloten. De zonsondergang is prachtig. [^]

De volgende dag, inmiddels donderdag, met de bus naar Slip Creek. Het regent. De meest mooie rotsformaties liggen op het strand. Ik heb mijn fototoestel in de bus laten liggen, kan er nu niet bij. Ik klim de uitkijktoren in. Even later komt Paula ook. We kijken naar de zee. "Close your eyes half and look through your eyelashes" verzin ik om wat te doen te hebben "you will see dolphins." Ze kijkt mij ongelovig aan, kijkt dan weer naar de zee en volgt mijn instructies. "You're right, I can see them". Nu ben ik degene die ongelovig kijkt. Ik tuur door de regen naar het water. Inderdaad, daar zijn dolfijnen! Een kleine kudde zwemt parallel aan de kust naar het noorden. Heb ik ook dolfijnen gezien! Als John terug komt haal ik mijn camera en hol naar de rotsen. Vlug maak ik een aantal foto's. Dit is zo inspirerend. Met ronkende motor staat de bus op mij te wachten. We rijden naar Fox. Ik vraag een fiets. Kevin waarschuwt mij voor kea's, ze vernielen banden, sturen en zadels. Ik zie wel. Bij het informatie-centrum koop ik een regen-anorak. Mijn rugzak past er ook onder. Dan fiets ik naar de gletscher. Halverwege word ik ingehaald door een bus met de anderen. Onder leiding van een gids gaan zij de gletscher op klimmen. Ik stop om te lunchen, heb een fantastisch uitzicht. De historische hangbrug moet op de foto, de kabels zijn prachtig verweerd. De regen is weer gearriveerd. Ik doe mijn nieuwe regenjas aan en fiets verder naar de parkeerplaats. Kea's scharrelen rond, ze lopen brutaal van de ene auto naar de andere. Mijn fiets maak ik aan een hek vast en begin het pad naar de gletscher te lopen. Steeds wil ik toch een stukje verder. Een snelstromend riviertje is geen belemmering. Ik kijk hoe iemand voor mij erover heen gaat en doe hetzelfde. Nog weer verder, nog meer donderende watertjes. Ik heb plezier in de uitdaging om door te gaan. Ik zie mijn busgenoten verderop de gletscher opklimmen. Ik loop zo ver door als mag. Ice-terminal heet de rand van de gletscher. Doorschijnend blauw, een muur van ijs rijst voor mij op. Dat gevaarte beweegt heel langzaam. Met een grote knal breekt plotseling een enorm brok van de muur af. De regen is flink toegenomen, de stroompjes zwellen aan. Ik zie hoe de groep op de gletscher probeert langs de zijkant omlaag te gaan. Ze moeten omkeren, dat lukt niet. Beter dat ik terug ga, straks kan ik niet meer oversteken. Mijn knie is pijnlijk, ik ben flink moe geworden. Mijn fiets is heel gebleven, ik fiets de vijf kilometer op mijn gemak terug. Mijn achterkant zit vol modder, zonder spatbord gebeurd dat. Door en door nat kom ik bij de bus. Kevin wijst mij op het zadel van een fiets, het is totaal vernield. "That's done by Kea's" zegt hij. Ik trek droge kleren aan en ga op een terras thee drinken en wachten op de klauteraars.

De bus gaat op weg naar een eenvoudige camping in Okarito. De regen valt in bakken neer. Niemand heeft zin om een tent op te zetten, het terrein is zeiknat. Het "historische" backpackers hostel is een klein huisje met een kamer. Zes bedden zijn nog vrij. John probeert een ander onderkomen te vinden. Als dat niet lukt wordt het toch kamperen. De slaapplaatsen worden bestemd voor de vrouwen in de groep. Ik protesteer, vind dit discriminatie en stel voor om te loten. Ondanks de steun van andere vrouwen blijven de bedden voor ons. Samen met Morgan, Gerard, Stephanie en Anika heb ik kookbeurt. Ik trek mijn schoenen en sokken uit, stroop mijn broek op en begin te koken. In mijn regenjas, met mijn voeten in het water, roer ik in de gigantische wokken. We krijgen hulp van Kevin. Hij snijdt een komkommer in minder dan een minuut in flinterdunne schijfjes. Na het eten loop ik op mijn blote voeten naar het strand. De regen is gestopt. Een prachtige zonsondergang is bezig. De Tasmanzee is ruw, de wolken zijn verward, alle tinten rood, geel, oranje en paars kleuren de avondhemel. Ik draai me om. Zie rode bergtoppen tegen een diepblauwe achtergrond. Hier zou ik in de zee kunnen verdwijnen. In het donker loop ik terug naar de camping. Met de hulp van Sian zet ik mijn tentje op. In de blokhut speelt John op zijn gitaar en zingt melancholische liedjes. Ik dans de rest van de avond op zijn muziek.[^]

's Morgens vertrek ik met de fiets voor de bus uit, een prachtige tocht (20 km) langs de lagune. De bergen op de voorgrond, witte toppen boven groene vlakken. Als ik derde Mark inhaal blijkt hij geen helm op te hebben. Hij is licht spastisch en slingert enorm tijdens het fietsen. Ik waarschuw hem. Hij wordt vreselijk boos over mijn bemoeienis. Als we stoppen in een klein plaatsje belt hij op naar Engeland om zijn woede te luchten. Hij weigert terug de bus in te gaan en laat iedereen wachten tot hij uitgebeld is. We rijden door naar Ross. Daar koop ik handgeverfde wollen sokken, heel kleurig. De bus is een drooghok, overal hangen kleren te drogen. Alle ramen zijn beslagen. In Hokitika worden we uitgeladen om jade "fabrieken" te zien. Ik loop naar het strand en geniet van de warme zon. Tussen de kiezelstenen zie ik een metalen voorwerp, een cirkel, bijna dubbelgebogen, met een gaatje in beide helften en een touw aan een lipje. Ik neem het mee. "That's a sheepsdog whistle" weten John en Kevin. "The owner is usually very attached to it". Ze weten niet hoe ik er op moet fluiten. Weer verder naar Greymouth. Hier hebben Anne-Marie en Wim bij aankomst in Nieuw Zeeland gewoond. Ik ben de enige die niet meegaat met de wandeling langs de kust en doe een middagdutje achter in de bus. Terwijl we wachten op de wandelaars probeer ik mijn nieuwe aanwinst geluid te laten produceren. Wat gesis, dat is alles. Weer rijden we verder, nu naar Punakaiki. Nadat ik mijn tent heb opgezet loop ik naar het strand. Mijn fluitje gaat mee. Een golden retriever komt aanrennen als ik een scherp geluid uit de fluit weet te halen. Hij loopt een tijd achter mij terwijl ik blijf oefenen. 's Avonds gaan we naar de pub. Ik speel poolbiljart met John. Tot mijn grote opluchting winnen we het eerste spel. Bij het volgende spel mis ik de zwarte bal, dat is het einde van mijn carriere als poolbiljarter. Duitse Mark is om twaalf uur jarig. Hij slaapt al. We gaan om zijn tent heen staan en zingen happy birthday. Mark rommelt eventjes en komt dan slaapdronken naar buiten. Hij wordt gefeliciteerd en een fles champagne gaat rond. Aanvankelijk was het plan deze fles in zijn tent leeg te spuiten. Maar dit is zijn eigen tent en het plan is verlaten. [^]

nog een paar dagen

[Heenreis] . [Seoul] . [Auckland] . [Rotorua] . [Wellington] . [Hutt Valley] . South Island . [Laatste dagen] . [Terugreis]


































































       
     
emailen